Leids ritje

Mijn fiets was gestolen. Op de Haarlemmerstraat. Ik had nog goed gekeken of iemand hem misschien opzij had gezet, maar nee hij was weg. Mijn vader was razend: "Hoe kun je je fiets laten stelen?", net of ik hem voor de lol kwijt was. Aan een andere fiets viel voorlopig niet te denken. Kort na de oorlog waren jongensfietsen moeilijk te krijgen en mijn vader wou er geen geld insteken: "Je gaat maar lopen". Ik ben inderdaad een paar maal lopend naar school gegaan. Maar al snel vonden mijn ouders dat de afstand Hooigracht-MariŽnpoelstraat v.v. toch te groot was voor een vaste wandelroute.

Blauwpoortsbrug
Gewapend met een abonnement begon ik op een maandag in september 1947 mijn carriŤre als tramreiziger op de hoek van de Watersteeg. De tram kwam vrij gauw. De stadstrams reden, als alles goed ging, om de vijf minuten. In een klein kwartier was je op de Rijnsburgerweg bij de halte Academisch Ziekenhuis. Je stapte in op het achterbalkon. Dan moest je een opstapje nemen om in de zitruimte te komen. Daar stonden vijf banken bekleed met rattan achter elkaar. Die banken konden omklappen. De conducteur zette ze bij het eindpunt in de rijrichting. Op het voorbalkon was het mooiste plekje van de tram. Je kon naast de bestuurder staan, dan had je een eigen raam met een prachtig uitzicht. Onder het raam zat een houten kastje waarop je kon leunen. De bestuurder stond achter een soort grote koffiemolen met het opschrift 'Siemens Schuckert Werke'. Door aan de slinger te draaien kon hij 'gas geven'. Om te remmen had hij rechts nog een koperen slinger. Alle bestuurders hadden een wollen sok om de knop van die slinger zitten om hun hand niet te bezeren. Over het algemeen verliep de reis vrij vlot. Maar er waren nogal wat knelpunten. Op de Breestraat stonden dikwijls vrachtauto's die moesten laden of lossen. Ze parkeerden op de rails. Ondanks een aanhoudend gebel door de trambestuurder maakten de chauffeurs hun werk af en moest de tram wachten. De Blauwpoortsbrug vormde de tweede bottleneck. Schepen kregen voorrang. Soms liet de bruggenwachter de tram wel door, maar er waren er ook die onverbiddelijk de hand op staken en vlak voor de tram het hek sloten. Voor de brug omhoog was, het schip was doorgevaren de brug weer gezakt en de hekken geopend waren er al snel zo'n acht minuten verlopen. Dikwijls stond de volgende tram dan al achter ons.

Gele
Maar dit was nog niets vergeleken bij de overweg aan de Rijnsburgerweg. Meestal kon de tram de overweg zonder problemen passeren. Je moest je wel goed vasthouden, want de kruispunten tussen de spoor en de tramrails waren flink versleten, zodat de wagen flink steigerde. Soms zat het tegen. Naast het VVV-kantoor stond een hoge paal met een schijf. Als de rode kant van de schijf werd voorgedraaid wist je dat het mis was. De overweg ging dicht. Tergend langzaam kwamen de bomen naar beneden, eerst aan de rechterkant van de weg. En dan maar wachten. Voor de personentreinen naar Haarlem kon dat lang duren. Omdat deze vlak voor de overweg moesten stoppen werden de bomen al gesloten voor de trein binnen was. Van een trein naar den Haag had je veel minder last. Een goederentrein was echter rampzalig. Niet alleen trokken die heel langzaam op, ze waren dikwijls ook heel lang. Het ergste was wanneer er gerangeerd moest worden. Dan zag je de locomotief verschillende malen de overweg passeren, dan weer alleen, dan weer met een of meer wagentjes. De tramdienst werd zo aardig ontregeld. Aan beide kanten van de overweg ontstond een rij met wachtende trams, niet alleen stadstrams, maar ook de "Gele" naar Wassenaar.

Knal
Als schooljongen was je hier erg ongelukkig mee. De overweg was geen excuus voor te laat komen. Het leverde altijd strafregels op. Had je maar een tram eerder moeten nemen. Het enige wat je kon doen was uit de tram springen en de luchtbrug nemen. "Ik ga lopen". "Pas je op" was dan het reguliere antwoord van de bestuurder die de deur voor je open hield. Je moest wel goed af wegen wat je deed, want het trappen klimmen en het lopen tot de halte kostten ook vrij veel tijd. Soms had je misgegokt en haalde de tram je in. Al de vertragingbronnen bij elkaar maakten dat je soms lang moest wachten. Wanneer ik op weg naar huis merkte dat de boel weer in de war was, liep ik naar het stationsplein. Als het mee zat kon je dan net de grote blauwe naar de Haag nemen. Die bestond uit 3 Boedapester wagens, zo genoemd naar de stad waar ze gebouwd waren. Ze hadden een snuit met 6 kleine hoge ramen en een indrukwekkende schijnwerper. Ik kroop meestal in de motorwagen. Daar zat normaal geen conducteur in. Dat was handig omdat ik er aan het eind van de Breestraat waar de Hagenaar geen halte had maar wel afremde wilde uitspringen. Ook kreeg je wel eens te horen dat je op je stadsabonnement niet mee mocht. De motorwagen was heel geheimzinnig. Het was er altijd een beetje donker omdat er geen uitzicht was naar voren en naar achteren. Aan een kant was de zitruimte erg klein omdat er een apparatenafdeling was. Daaruit kwamen steeds allerlei vreemde geluiden. Een diep gebrom, een luid geratel en soms zelfs een knal. Ik ben altijd nieuwsgierig geweest hoe het daar uitzag, maar ik heb nooit naar binnen kunnen kijken.

A 302
Als vaste reiziger ging je op allerlei details letten. Bijvoorbeeld op de nummers van de wagens. Toen viel het op dat je wel de nummers A 309 tot en met A 312 zag maar geen lagere nummers. Een bestuurder wist te vertellen dat ze in Voorburg stonden. Het waren de oudste wagens. Ze waren tot op de draad versleten en zouden wel worden gesloopt. En dan reed opeens een wagen A 302 door de stad. Ik liet er 's middags zelfs een tram voor lopen om met de verloren zoon mee te kunnen. Ik had nog nooit zo'n mooie tram gezien. Hij was stralend gelakt. In het blauw van de wagen kon je je spiegelen. Het dak was niet asgrauw maar licht grijs. Binnen was alles glimmend gevernist en zelfs de vloer straalde je tegemoet. Er hing een geur van nieuwheid. Maar er was toch iets merkwaardigs met de tram. Hij reed heel langzaam. Tussen het station en de Prinsessekade merkte je het nog niet zo, maar toen hij de Breestraat op draaide werd het duidelijk. De klim naar het stadhuis bleek een zware opgave. Bij het postkantoor kreeg je het idee dat je moest helpen duwen. Bij de V en D dacht je: nu glijdt hij achteruit, en het was een wonder dat we Hosman gehaald hebben. Een blik naar de grote schakelaar waarmee de bestuurder de tram bediende maakte alles duidelijk. Dwars door het bord 'Siemens Schuckert Werke' staken een paar schroeven waardoor de bestuurder zijn slinger maar een klein stukje kon bewegen. "Ja joh", zei de man, "dit is een geblokkeerde wagen, wit gepleisterde graven.....".

Haarlemse stadstram
Ik had hem 's morgens op weg naar school al gezien: een Haarlemse stadstram. Op grote afstand was hij al te herkennen. In plaats van een sleepbeugel, die bij verandering van rijrichting moest worden omgetrokken zat er een schaarbeugel op het dak. De reclame spoorde je aan om brood bij Franken te kopen en Hoenderdos als kolenman te nemen. De bestemming was ook heel bijzonder: in plaats van Rijndijk prijkte het opschrift TRAM. Toen ik tussen de middag naar huis ging kon ik met de vreemdeling meereizen. Er was duidelijk een verschil met wat ik gewend was. Het was armoediger. In plaats van banken met rattan zittingen waren er houten banken. Je zat niet achter maar tegenover elkaar. De tram maakte ook een ander geluid. Onder de vloer klonk een diep sonoor gebrom, in plaats van het gejengel van de Leidse wagens. Eigenlijk veel te snel was ik bij de Watersteeg en moest afscheid nemen van de vreemdeling.

Klompen
Die winter werd het bitterkoud. Ik stond op de Hoogewoerd te rillen. Er stond een felle Noordwesterwind. Het begon weer te sneeuwen. Er had al lang een tram moeten komen, maar er kwam niets. Tenminste mijn kant op. Vanaf het Gangetje werden een paar koplampen en schaars verlichte ramen zichtbaar. De ramen waren dicht beslagen. Je was je nauwelijks bewust dat er een tram langs gekomen was of hij was al weer tussen de vlokken verdwenen. Eindelijk kwam er een "Blauwe" richting station. Ik had gehoopt dat het binnen een beetje behaaglijk zou zijn, maar dat viel zwaar tegen. De wagen was onverwarmd. Ik liep door naar mijn favoriete plekje op het balkon. De ramen waren stijf bevroren. Om wat te kunnen zien krabbelde de bestuurder steeds zijn ruit met een plamuurmes schoon. De man leek trouwens nauwelijks meer op een NZH medewerker. Hij had een wollen ijsmuts op, een dikke astrakan jas en hij liet op klompen waar een flinke bos stro uitstak. Al snel begon ik op die klompen jaloers te worden. Onder de klapdeuren was er een brede spleet en die trok een fikse luchtstroom over de vloer. Ik hield het niet uit op het balkon. Ik verruilde mijn plek voor een staanplaats naast de zitbanken. En verbetering was dit nauwelijks. Bij het station werd het helemaal erg. Omdat veel mensen in- dan wel uit moesten stappen bleven de deuren voor en achter open staan. Toen ik uiteindelijk bij het Academisch Ziekenhuis uitstapte was ik zo stijf van de kou dat ik liep alsof ik een soort marionet was.

Hoogewoerd
Als stadstram reden ook een aantal kleine wagens die sprekend op de Budapesters leken (A 350, red.). Ze hadden een groot balcon in het midden en aan iedere kant en een klein zitgedeelte met 6 plaatsen. De bestuurder had een voordeur waar hij kon uitstappen. Naast hem was een apart klapbankje waar je als passagier op mocht zitten. Deze wagens waren het mooiste wat de NZH te bieden had. Ze reden met een zacht zoemend geluid en ze waren goed geveerd. Als het koud was werden ze altijd goed verwarmd. Op een dag zag ik in de krant een advertentie met een plaatje van zo'n tram. IJzerhandel 'Simetas' uit Hoogezand bood zesenvijftig trams te koop aan. Ik schrok, ik ging meteen kijken of de trams er nog waren. Tot mijn geruststelling zag ik er net een over de Hoogewoerd rijden. Helaas bleek enkele maanden later dat het uitstel van executie was. In november 1948 was de tram in Haarlem opgeheven. De Haarlemse trams werden verleidst. De teksten Soendaplein, den Hout, en Heemstede verdwenen, op het dak kwam te staan dat het gisteren al in het Leids dagblad stond. Tegelijk maakten de Groningse slopers een einde aan de Leidse wagens. Rond deze tijd kreeg ik weer een fiets en was ik tramreiziger af.

Alfred Dernison