MIJN HERINNERINGEN AAN DE BLAUWE TRAM

Vanaf kort na mijn geboorte tot mijn 17e heb ik aan de Koningin Wilhelminalaan in Voorburg gewoond die in de oorlogsjaren, op last van de Duitsers, werd omgedoopt tot Admiraal de Ruyterlaan. De Blauwe, zoals we hem kortweg altijd noemden, heeft dus in mijn jeugd steeds bij mijn leefomgeving behoord met een onderbreking in het laatste oorlogsjaar toen de tramdienst moest worden gestaakt. De geluiden van de Blauwe Tram zitten heel diep in mijn geheugen. De hese fluit natuurlijk en het accelereren van de motor kan ik nog zo uit mijn herinnering oproepen. In het vooraanzicht van de motorwagen zag ik als klein kind een gezicht dat nogal streng keek.
Ik kende ook al vroeg het verschil tussen de gewone tram die bij “onze” halte Van Leydenstraat stopte en “de Versnelde”, die doordenderde en bij droog weer soms een stofwolk achterliet. De "Versnelde" die uit drie wagens bestond met de motorwagen in het midden, vond ik wel heel karakteristiek voor de Blauwe Tram. Dat zag je niet bij de Gele van de HTM. Die gele tram vonden we trouwens toch maar niks vergeleken met de Blauwe Tram, die meer weghad van een trein.

Een bizarre herinnering uit de oorlogstijd vormt die keer dat ik een Blauwe Tram zag langsrijden die een gele Haagse tram trok. In mijn herinnering zie ik dat wonder gebeuren en ik heb later heel lang gedacht dat ik dat een keer gedroomd moest hebben. Maar nog veel later heb ik eens, bladerend in een boek over de HTM, gelezen dat ze via de trambaan van de NZH over de Admiraal de Ruyterlaan, Haags trammaterieel in veiligheid hebben gebracht, toen de oorlogsomstandigheden daartoe noopten. Dus misschien heb ik dat toch wel echt gezien.

Op een zeker moment reden er helemaal geen trams meer en werd de vrije trambaan door ons, kinderen, als speelterrein in gebruik genomen. Ik herinner me dat we na enige tijd zulke grote kuilen hadden gegraven dat we onder de houten bielzen door konden kruipen.
In de laatste oorlogswinter, de hongerwinter, raakte mijn vader door hongeroedeem uitgeschakeld en probeerde ik als oudste kind mijn moeder zoveel mogelijk te helpen om de dagelijkse behoefte aan voedsel en brandstof het hoofd te bieden. Op het gebied van de voedselvoorziening droeg ik mijn steentje bij door alles wat maar enigszins eetbaar leek mee naar huis te brengen. Zo ben ik een keer achter een paard en wagen (Van Gend & Loos?) aangegaan om daar Dahliaknollen vanaf te pikken. Ik weet niet meer of we die ook hebben gegeten. Ik weet wel dat ik een andere keer met tulpenbollen ben thuis gekomen en dat die, nadat ze op de Mayo-kachel gekookt waren, weliswaar nogal melig, maar overigens redelijk van smaak waren.

Wat de brandstofvoorziening betreft, was ik met vele anderen aktief betrokken bij het langzaam maar zeker verwijderen van de ligusterhaag waarmee de vrije trambaan was omzoomd. Achter het huis hakte ik die struikjes als vijfjarige met een bijl klein genoeg om ze in het Mayo-kacheltje te kunnen verstoken.

Kort na de bevrijding had ik indirect een klein persoonlijk drama aan de tram te danken. Op een zondagmiddag waren we met wat kinderen tikkertje aan het spelen. We renden heen en weer over de rijweg en de trambaan. Op zeker moment struikelde ik in volle vaart over de rails en sloeg met mijn arm op de volgende rail. Mijn onderarm hing er helemaal naast en ik gilde het uit van de pijn. Dat gaf nog een hele toestand want er moest eerst iemand met een auto gevonden worden die mij naar het ziekenhuis Antoniushove kon rijden; vrijwel niemand had een auto in die tijd. En ik geloof dat je ook nog een ontheffing moest hebben om op zondag te mogen rijden. In elk geval was de ontgoocheling groot toen we, na alle heisa om bij het ziekenhuis te komen, weer onverrichterzake naar huis werden gestuurd; waarom weet ik niet. Omdat het zondag was? Na een ellendige nacht thuis, met veel pijn, zittend in een stoel, werd de arm pas de volgende dag in het gips gezet. Ik moest toen ook meteen voor zes weken in het ziekenhuis blijven want het bleek een erg gecompliceerde breuk te zijn, die maar moeilijk zonder blijvende gevolgen te herstellen was.

Zoals bijna elk kind tekende ik ook graag. Ik herinner mij nog heel goed, dat ik mij op een dag had gestort op het natekenen van de Blauwe Tram, die inmiddels de dienst had hervat. Ik had er een heel werk aan, want ik had geen afbeelding om na te tekenen en moest iedere keer wachten totdat er weer een tram langs reed, om allerlei details goed in te prenten en die vervolgens na te tekenen. Toen ik er eindelijk mee klaar was, waren mijn vader en moeder buitengewoon enthousiast over mijn prestatie. Ik denk dat ik mij door die reactie realiseerde dat dat tekenen iets was, waar ik blijkbaar meer dan gemiddeld goed in was. Vanaf die tijd heeft de liefde voor het tekenen en later schilderen mij nooit meer helemaal losgelaten. En nog steeds maak ik elk jaar minstens één keer een aquarel van de Blauwe Tram.

Na de lagere school ging ik naar het Aloysius College aan de Oostduinlaan in Den Haag. Omdat ik voordelig jarig was en ook overigens nogal klein en tenger voor mijn leeftijd, oordeelden mijn ouders het beter, dat ik het eerste jaar nog niet met de fiets naar school ging, maar met de Blauwe Tram. Van de halte Van Leydenstraat in Voorburg tot de halte Raamweg-Waalsdorperweg, ter hoogte van waar nu het Hubertusviaduct is. Ik maakte die rit elke dag in gezelschap een aantal andere jongetjes die daar ook op school zaten. En dat werd natuurlijk een beetje donderjagen in de tram. Details ben ik vergeten, maar wij werden regelmatig door de conducteur tot de orde geroepen, op aandringen van humeurige kantoorjuffrouwen, die onze grappen en grollen niet konden waarderen. Wij wisten natuurlijk dat de fluit van de tram werd bediend met een soort losse voetpedaal, die de wagenvoerder bij de bestuurdersplaats, in een daarvoor bestemd gat in de vloer moest steken. Ook aan de andere kant van de motorwagen zat zo een gat. En wij hebben verschillende keren vergeefs geprobeerd die fluit in werking te stellen door met een liniaal in dat gat te peuren. Een keer werden we daarbij betrapt door de conducteur, die waarschijnlijk gewaarschuwd was door die kantoormeiden. Toen heeft het heel weinig gescheeld of we waren voor straf de tram uitgezet. Maar het bleef gelukkig bij een donderpreek.

De tramritten werden gemaakt op een weekkaart, die we moesten kopen in een soort kantoortje van de NZH aan de Parkweg in Voorburg tegenover de remise. Tot mijn bijzondere herinneringen behoort ook dat er wel eens een kapotte tram langs kwam die door een andere tram werd gesleept. Eén keer werd een driewagenstel gesleept door een ander driewagenstel, zodat er een trein van niet minder dan zes rijtuigen was ontstaan. Als jongetje vond je dat een machtig gezicht natuurlijk. Sensationeel was ook die keer, dat er vlakbij ons, bij de Van Lennepstraat (later omgedoopt tot Heer Hubrechtstraat), een afslaand vrachtwagentje door de tram was gegrepen. De cabine van de vrachtwagen was behoorlijk in elkaar gedrukt waarbij ook enige ruiten waren gesneuveld. Ik heb van dichtbij aandachtig staan kijken naar de bebloede gezichten van de geschrokken chauffeur en zijn bijrijder. Uiteraard mankeerde de Blauwe Tram niets.

Curieus was ook die keer, toen op een avond tijdens een hevig onweer de bliksem was ingeslagen in de bovenleiding van de tram. Mijn vader zag het gebeuren en riep dat het een bolbliksem was. Wat het precies is geweest weet ik niet, maar toen ik bij het raam kwam, was er inderdaad een vuurbal te zien, zo groot als een voetbal, die aan de bovenleiding hing en na een minuut vanzelf doofde, ogenschijnlijk zonder enige schade te hebben aangericht.

Begin 1958 zijn we verhuisd, dus ik heb gelukkig niet het trieste einde van de Blauwe Tram van nabij hoeven meemaken.

Joop Boudewijn
December 2006