Ongeval op de Blauwpoortsbrug te Leiden op Eerste Pinksterdag 1925

Zondag, vrijwel op den druksten tijd van dien dag, had een ontsporing van de electrische tram plaats op de Blauwpoortsbrug, welke wonder boven wonder nog goed is afgeloopen en zich enkel tot materieele schade heeft bepaald, maar korten tijd groote vertraging in het tramverkeer veroorzaakte.
Om de tram uit Scheveningen, die circa kwart over vijven met veel passagiers over de Blauwpoortsbrug zou rijden, liep de motorwagen in den oprit van de brug uit de rails en reed, opgeduwd door de twee volgwagens, dwars over de brug, over het trottoir, door het hek van de brug, waar ook, dank zij het krachtig remmen van den bestuurder, het gevaarte tot stilstand kwam.
Het ongeval verwekte natuurlijk groote ontsteltenis, vooral onder de passagiers van het ontspoorde rijtuig, en wagenbestuurder en conducteur waren begrijpelijker wijs ook van streek, al gaf de verzekering, dat er in het geheel geen persoonlijke ongelukken plaats hebben, dadelijk zeker groote geruststelling. Wanneer de ontspoorde tramwagen even verder ware doorgeloopen en indien de koppelstangen, waarmede hij aan den anderen wagen was verbonden, het niet gehouden had, ware het rijtuig in het diepe water der Turfmarkt gestort en de gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest. En hoe licht had het kunnen gebeuren, dat bij zoo’n druk verkeer één of meer personen juist naast de tram op de brug waren geweest, die dan onvermijdelijk zouden zijn overreden, althans voor ’t  minst aangereden.
Het geval bracht groote opschudding teweeg en in minder dan geen tijd zag het er zwart van de menschen. Het tramverkeer kreeg dadelijk groote vertraging. De trams van de richting Hooge Rijndijk konden voorloopig niet verder en de passagiers moesten overstappen op de aan den overkant staande trams. Er werd echter het eerst gewerkt om op de brug een lijn vrij te krijgen wat betrekkelijk nog al vlug ging. Over de ééne lijn werd nu het tramverkeer geleid.
De directeur van den markt- en havendienst en eenige inspecteurs van politie met een aantal agenten waren spoedig aanwezig en zorgden voor de regeling van het verkeer. Het technisch personeel van de N.Z.H.T.M. ging met bekwamen spoed aan het werk om het tramrijtuig weder in het spoor te brengen, wat echter niet gemakkelijk ging.
’s Avonds om twaalf uur was de baan weer vrij en kon ook over de brug weder op dubbel spoor gereden worden. De ontsporing heeft plaats gehad bij de kruising der lijnen, waar de rails geheel plat zijn. Men deelde ons mede, dat een wielband van het motorrijtuig eenigszins los was gegaan, hetwelk als naaste oorzaak van de ontsporing zou moeten worden beschouwd.
De tram werd bestuurd door J. van der Star en de dienstdoende conducteurs er op waren J.G. Weldes en L. Sjardijn, welk drietal in de gegeven omstandigheden zeer tactvol is opgetreden.
Leidsch Dagblad, Dinsdag, 2 Juni 1925.

Het betrof  motorrijtuig A 401 met 2 B 400-en als D-dienst op het traject Scheveningen-Leiden-Katwijk v.v.