Luchtremsysteem I van de A324-327 en B305-308

Het uit Haarlem afkomstige elektrische motorrijtuig A327, voorzien van een schaarbeugel en sedert 1937 van een luchtreminstallatie, is kennelijk op werkplaatsbezoek in Rijnsburg geweest en is op de terugweg naar Haarlem. De wagen bevindt zich op het begin- dan wel eindpunt van de lijn Oegstgeest-Rijndijk. Leidsche buurt te Oegstgeest, 16 maart 1942. Foto: J.A. Bonthuis.

Leiden - Haarlem
In 1937 wenste de NZH enkele A en B300 rijtuigen die bij grote drukte op de lijn Leiden - Haarlem dienst deden van een luchtrem te voorzien. Een proeftramtrein, de A327 en B307, werd ermee uitgerust en de ervaringen waren zodanig dat nog drie tramtreinstellen daarvan werden voorzien (A324-326 en B305-306, 308).

Ascompressor
Het was overigens niet gemakkelijk deze luchtrem aan te brengen. De compressor die de remlucht moest leveren, diende een ascompressor te zijn en dus door een wagenas te worden aangedreven. Het was niet mogelijk deze op een behoorlijke wijze naast de motor op de as van het motorrijtuig aan te brengen. Bovendien moesten drie luchtketels een plaats vinden, een plaats die behalve op het dak zelfs voor een reservoir niet was te vinden. De enige mogelijkheid was dan ook om met uitzondering van de remkraan de verdere apparatuur in een aanhangrijtuig onder te brengen.
Dit doet vreemd aan omdat een motorrijtuig, afzonderlijk rijdend, dan niet met lucht kon worden geremd. Maar een AB300 tramtreinstel werd normaal met de handrem geremd en aangezien die alleen op het motorrijtuig werkte, remde het aanhangrijtuig toch al niet mee.

Lijn 1
Op lijn 1 (Haarlem Noord/Soendaplein - Heemstede) waar deze rijtuigen dienst deden en waar steeds met beperkte snelheid werd gereden, was dit zonder meer mogelijk. Op de lijn Leiden - Haarlem echter, waar de snelheden steeds veel hoger waren, zou dat op den duur te vermoeiend zijn geweest. Werd er alleen met een motorrijtuig gereden dan bestond dit bezwaar uiteraard niet. Zodra een aanhangrijtuig werd aangekoppeld, en dit was op de bedoelde lijn het geval, dan was er behoefte aan een luchtrem.

Doseren
Het luchtremsysteem I is een direct werkend remsysteem. Dat wil zeggen dat de voor het remmen benodigde luchtdruk rechtstreeks uit de reservoirs via de treinleiding en de remkraan naar de remleiding wordt gevoerd. De luchtdruk kan worden gedoseerd, met andere woorden, meer of minder luchtdruk kan worden toegevoerd waardoor een meer of mindere remwerking plaatsvindt. Via de remkraan worden de remmen ook gelost.
De luchtdruk die zich in de reservoirs bevindt, wordt opgebouwd door middel van een ascompressor. Om de luchtdruk op het niveau van drie en een half atmosfeer te houden, zijn ventielen ingebouwd.
Volgens huidige maatstaven is dit een onbetrouwbaar systeem omdat het uitputtelijk is, immers als de reservoirs leeg zijn, bijvoorbeeld na een sterke (nood-)remming en na een aantal meters rijden weer moet worden geremd, is onvoldoende luchtdruk opgebouwd en kan niet meer met lucht worden geremd.

A327 en B303
Het huidige historische tramtreinstel A327 en B 303 kan uitsluitend elektrisch worden geremd. Het is niet voorzien van een luchtremsysteem omdat het systeem zoals hiervoor is beschreven niet meer voldoet aan de veiligheidseis dat een luchtremsysteem zelfwerkend (=indirect) moet zijn; dat wil zeggen dat bij breuk het motor- en aanhangrijtuig zelfstandig tot stilstand moeten kunnen komen.