De eerste rit van de NZH

Hoera!

De NZH rijdt weer

Onze trouwe blauwe 400-den daveren weer over de lijnen. De stadstram piept weer gezellig door de bocht bij Kort Rapenburg-Breestraat en hobbelt weer over de overweg aan de Rijnsburgerweg. Zoowaar doet zelfs een A500 (A515 of A516) pogingen om naar Den Haag te komen op de ,,L”-dienst, brengt het echter (zonder volgrijtuigen) niet verder dan de halte Tuinstadswijk. Maar toch een xxx van leven in de brouwerij en dat is een goed teken. Laten we hoopen, dat binnenkort alles weer ,,ge­woon” rijdt, d.w.z. alle lijnen en de heele dag door, goed bezet, maar niet overdreven vol.

Op Maandag 25 Juni 1945 was dan de groote dag. Nadat reeds op 5 Juni de eerste tram (A304 + montagewagen H204) zich schuchter op de lijn had gewaagd, waardoor de geheele Leidsche NVBS in rep en roer werd gebracht, zagen we eenige weken lang 1x per dag een A1000 en de H301 een dagelijks retourtje afleggen van de remise Rijnsburgerweg naar Rijnsburg v.v.

Vanaf 16 Juni werden we veel vlotter. Toen moest het materieel "ingereden" worden en konden we dus combinaties aanschouwen van 2 aaneengekoppelde A300-den, idem A600-den, idem A400-den of bijv. A515+A202+A516 en eens zelfs 3 stuks A400 aan elkaar. Toen men zich hier een heele week mee geamuseerd had en heel wat kostelijke kolen in de vorm van electriciteit via de motoren had versnoept, zou dan op 25 Juni eindelijk het groote moment aanbreken, waarop de tramweg-belangstellenden nu al een 9-tal maanden had gewacht. Zooiets kon natuurlijk niet onopgemerkt voorbij gaan, zoodat we meenden, daaraan eenige festiviteiten te moeten verbinden, vooral toen bleek dat de eerste reizigerstram welke die ochtend de remise zou verlaten, zou bestaan uit een ,,schakeltram” (een stel B400-A400-B400) voor Katwijk, d.w.z. tot de Sandt­laan in Katwijk Binnen, (of Rijnsburg, zoo men wil) daar de trambrug aldaar gedemonteerd was en als gevolg daarvan dus onberijdbaar.

Ik zal U dan nu in chronologische volgorde verhalen, wat er dien morgen zoo al voorviel.

Nadat Uw dienaar die vroege ochtend op een onmogelijk vroeg uur uit zijn bad was gestapt, zich uiterst zorgvuldig had geschoren en zijn Zondagsche pak had aangetrokken (alles vanwege het feest), begaf hij zich dan remise-waarts, alwaar hij omstreeks 6.30 arriveerde. (De tram zou 6.50 vertrekken). Ik trof daar reeds twee NVBS-ers aan die ook van het feest getuige wilden zijn. De tram was nog niet te zien, wel eenig personeel en de NVBS-ers wisten te vertellen, dat de A1004 reeds was uitgerukt in de richting Rijnsburg. Aldus gingen we wachten op de dingen die zouden komen. Vanaf zijde Oegstgeest werden twee NVBS-ers verwacht en dus gingen we eens kijken, of die reeds in aantocht waren. Zulks bleek vooralsnog niet het geval maar te 6.40 verscheen weer de A1004 volgeladen met bloemen, die deze onderweg had gekocht, eveneens ter opluistering van het feest. Bovendien bracht deze de mededeeling mee, dat even buiten de splitsing te Oegstgeest nog een kleinigheid aan de bovenleiding haperde. Een geldige reden dus, om snel de ongevallenauto (die door de Duitschers was ingepikt, maar door de NZH bijtijds in veiligheid gebracht) te voorschijn te halen, te bemannen en daarmee in allerijl te verdwijnen.

Intusschen was het 6.45 geworden en arriveerden de heeren Mulder en du Croix uit Oegstgeest met een levensgroote krans op welks xxxxx ,,Leiden – Rijnsburg, N.Z.H. 25 Juni 1945”.

Ook de klok was nu gelijk gezet (deze bleek twee minuten vóór te loopen) feitelijk was nu alles gereed. Het was 6.50 geworden, de officieele vertrektijd van de eerste tram, zelfs waren een viertal ,,normale” klanten aanwezig buiten de NVBS-ers, kortom alles was in orde slechts ontbrak één ding, n.l. het feestvarken zelf of-te-wel de tram. Dies togen de heeren du Croix en Mulder voornoemd, die bij de NZH beter bekend zijn dan ondergeteekende, er op uit om den remisechef of andere soortgelijke autoriteit van het feit in kennis te stellen dat we een krans wenschten aan te bieden, hem daarbij duidelijk makend, dat we voor die gelegenheid ook de tram zelf noodig hadden, dus verzoekende of die ook zou mogen verschijnen ter plechtigheid. De krans werd dus zoolang aan ondergeteekende (buiten het vertrekperron) in bewaring gegeven.

De chef was diep ontroerd bij het vernemen van onze sinistere plannen, pinkte een traan weg, stuurde de bestuurder er op uit om de tram te gaan halen, zond een koerier naar het kantoor om de chef van de uitvoerende dienst, de heer v.d. Vijver, te waarschuwen en mobiliseerde al het aanwezige personeel, daar zooveel blijken van waardeering te veel waren om door één man gedragen te worden.

Tengevolge van deze acties verschenen bovengenoemde heeren, terwijl nu dan eindelijk te 6.55, dus 5 minuten ná de officieele vertrektijd de Boedapesters B403 + A408 + B401 ten tooneele zich vertoonden.

Ondergeteekende begaf zich nu met waardige schreden voorwaarts en onder doodsche stilte van een 20 of 30-tal bestuurders en conducteurs, een stuk of 5 chefs en controleurs, een even groot (?) aantal reizigers, 7 NVBS-ers en verdere niet genoemde autoriteiten werd een denderende redevoering afgestoken van wel een halve minuut lang, waarbij de krans aan den heer v.d. Vijver werd aangeboden en alle NVBS-ers een handje van hem kregen. Daarop werd de krans om de intusschen ook weer gemonteerde schijnwerper gehangen, waarop ten gerieve van U, mijne geächte lezers, een tweetal foto’s werden gepleegd, noodzakelijkerwijs tegen de zon in, dus sta ik niet in voor de resultaten.

De NZH zelf bleek de vier hoeken van alle rijtuigen voorzien te hebben van fraaie rood-wit-blauwe en oranje vlaggetjes, terwijl in de rijtuigen in de bekende glazen een bloemetje achter de ruiten prijkte.

Dies aanvaardden wij de rit te 7.00 uur, dus met maar 10 minuten vertraging. In verband met stroombesparingsoverwegingen werd niet hooger geschakeld dan tot contact 5 en dus sukkelden we genoeglijk door Leiden en Oegstgeest.

Even voorbij de splitsing te Oegstgeest, om precies te zijn: op de Rijnzichtweg, verwijlde de ongevallenauto, gewapend met een ladder, zich ter reparatie van de bovenleiding. Men was juist gereed en dus vervolgden wij na een zeer kort oponthoud onze reis. De heer v.d. Vijver maakte persoonlijk de reis mede en toen de conducteur in alle ijver ons een plaatsbewijs wenschte te verkoopen, zwaaide hij alle activiteit uit deze functionaris door hem mede te deelen, dat de heeren (dat waren wij) vrij reizen hadden deze eerste rit. Zonder kaartje was het reizen natuurlijk nog veel prettiger en onder genoeglijke kout passeerden we de splitsing te Rijnsburg en vervolgens de werkplaats.

De volgende moeilijkheid stond nu voor de deur in de vorm van een stukje enkelspoor. Op het kastje van het seinlicht hing een bordje ,,buiten dienst” en dus stopten we. De conducteur verliet de tramtrein en poogde het geval in werking te stellen. Daar we met de stroomafnemer reeds onder het inrijcontact door waren, gebeurde er niets, het geval was dus defect. Men wilde zich aan de schijf, ook wel genaamd penning, vergrijpen. Edoch, deze bleek niet aanwezig. Daar nu de NZH een uitermate veilig bedrijf is en bovendien de noodige hoge autoriteiten aanwezig waren, namen we geen risico en ging een der chefs voor de tram uit wandelen om te zien of de weg vrij was. Wij volgden stapvoets. Dit ging niet erg snel en toen dan ook iemand op een fiets met massieve banden in dezelfde richting rijdende de tram inhaalde en voorbij schoot, klampte de chef bedoeld persoon aan en verzocht hem, te mogen meerijden op de (gammele) bagagedrager. De persoon in kwestie bleek de NZH goed gezind te zijn en stond dit welwillend toe, waarop de chef plaats nam en onze snelheid verdubbeld werd.

Aan de andere zijde van het enkelsporige baanvak gekomen, werd in het kastje gekeken en daar bleek inderdaad het verloren schaap, c.q. de schijf, aanwezig te zijn, wat triomfantelijk den volke getoond werd. Gerustgesteld werd nu de reis vervolgd en al spoedig werd een breed water dat onze loop verder belette, bereikt. De drie bruggen lagen netjes langs de lijn opgesteld en dus stopten we op nog geen 5 meter van de snel stromende vliet.

De bevolking stapte uit, de krans werd aan de andere zijde, dus op de B401 gehangen en daar nu de zon keurig op het frontje scheen werd nu wederom een plaatje gepleegd als aandenken aan deze merkwaardige gebeurtenis.

Daarop beklommen we weer onze tram en de terugreis werd aanvaard. Bij het stuk enkelspoor gekomen, werd de schijf teruggelegd. Zoals was te verwachten, bleek dat het seinlicht nu wèl werkte en dus hadden we nu twee beveiligingen, zodat we weer quitte waren. Dus werd aan het eind van het enkelsporige baanvak de schijf veilig in het kastje opgeborgen en vervolgden we zonder merkwaardigheden de reis naar huis. Na eenig geharrewar bij de remise in verband met uitrukkende stadswagens liepen we veilig weer de remise binnen, waarmee deze eerste rit tot een goed einde was gebracht.

Bij het binnenrijden werden we nog gefotografeerd door een tot nu toe onbekend gebleven individu, zoodat mogelijk te zijner tijd nog eens een foto zal verschijnen.

Tenslotte zij nog vermeld, dat ook de tweede rit van dit tramstel de krans weer meevoerde, terwijl ook in de middagritten de krans werd meegevoerd en aan het eind van elke rit trouw werd omgehangen naar de andere zijde van het tramstel.

Hetwelk doende met de meeste hoogachting,

Uw dienstwillige dienaar

J.A. Bonthuis, Leiden, 27 Juni 1945.

Tot mijn groote spijt moet ik U berichten, dat de met veel zorg genomen foto’s (drie stuks) allen als mislukt zijn te beschouwen. Mogelijk zal ik U te zijner tijd nog een minder fraai exemplaar van deze unieke gebeurtenis kunnen toonen.

Op 6 Aug. werd de lijn naar Katwijk doorgetrokken. Heel Katwijk vlagde. De tram werd verwelkomd met een muziekcorps en een krans. De krans werd bewaard en hangt thans in het kantoor der NZH te Leiden, evenals de krans van de hiervoor vermelde eerste rit. Hoeveel kransen zullen nog volgen?

J.A. Bonthuis, 12 Aug. 1945.